Wat heb je aan een provocatief psycholoog die zelf onderzoek doet?

Een paar weken geleden had ik de jaarlijkse bijeenkomst met mijn adviescommissie voor mijn opleiding Coachen met humor en positieve provocatie.

Dat moet ook, het is een post-HBO opleiding, dus je kijkt kritisch naar jezelf. Wat zeggen de evaluaties, waar lopen deelnemers tegenaan, waar sluipt routine naar binnen, waar wordt het misschien te comfortabel? Ik vind dat gezond. Te veel coaches preken beweging maar staan zelf al jaren stil.

Halverwege het gesprek vroeg een van de adviseurs: “Hoe voorkom je dat jouw opleiding niet te stoffig wordt? Te cognitief?” Ik was oprecht verbaasd.

Mijn trainingen zitten vol improvisatie, theater, experiment, mislukte grappen, ongemak, oefenen, nog eens oefenen. We leren via het lijf, via emotie, via interactie. Ik ben zelf snel verveeld, dus geloof me, als het saai wordt, ben ik de eerste die in opstand komt.

Maar ik snapte de onderliggende zorg wel. Als je promoveert, denken mensen: o jee, daar komt de theorie. Alsof ik ineens alleen nog maar literatuur ga citeren en deelnemers overspoel met modellen. Alsof academisch denken betekent dat je het leven uit een opleiding zuigt.

Laat me je geruststellen. Dat gebeurt niet. Sterker nog, mijn promotietraject maakt mijn onderwijs juist concreter. Want als academicus leer je iets wat in coaching goud waard is: je leert twijfelen aan je eerste conclusie.

Van Kolb naar rommelig leren

Op de universiteit werkten we met de leercirkel van Kolb: concrete ervaring, reflectie, conceptualiseren, experimenteren. Een prachtig model. Helder, overzichtelijk, bijna geruststellend. Maar leren verloopt zelden zo netjes.

In de praktijk is leren rommelig, emotioneel, chaotisch. Het brein maakt sprongen, trekt voorbarige conclusies, identificeert zich met één ervaring. Maar ik heb altijd onthouden dat in het ontwerp van mijn trainingen deze vier elementen vertegenwoordigd moeten zijn. Dat uit zich nu in de afwisseling die ik aanbied, ook al verloopt het leren wat chaotisch.

“Zie je wel, ik kan dit niet”

Zo is het ook met de empirische cyclus, de manier van onderzoeken zoals ik dit nu leer: observatie, inductie, deductie, testen en evalueren. Halverwege de opleiding provocatief coachen gebeurt er altijd iets moois. Deelnemers krijgen een audio van hun eigen sessie terug. Ze zien hun aarzeling, hun misplaatste grap, een interventie die niet landt. En dan komt de conclusie, vaak met lichte wanhoop uitgesproken:

“Ik leer dit nooit.”

Dat is inductie op basis van één observatie, roep ik dan grappend. Meestal is er dan gelijk aandacht: “Wat bedoel je?” Ik zeg: “Eén moment wordt bewijs voor je identiteit.”

De dialoog is als volgt:

“Wacht even, wat heb je precies gezien?”

“Dat mijn interventie niet werkte.”

“Is dat voldoende data om te concluderen dat jij hier fundamenteel ongeschikt voor bent?”
“Wat toets je eigenlijk?”
“Wat zou er gebeuren als je dit nog vijf keer oefent?”

Langzaam verschuift de energie. Door de cyclus te tekenen en te vertellen hoe we onderzoek doen kunnen de deelnemers dat ook op zichzelf toepassen. Van dramatische zelfdiagnose naar experiment. Van identiteit naar gedrag. Dat is praktisch denken dat de paniek tempert.

Onderzoek maakt me geen universiteit

Omdat ik promoveer, ga ik niet ‘universiteitje’ spelen in mijn opleiding. Ik weet heel goed dat coaching over gedrag gaat, over emoties, over oefenen, over doen. Maar het helpt enorm dat ik getraind ben in zorgvuldig redeneren. In het onderscheiden van observatie en interpretatie. In het niet klakkeloos meegaan in een verhaal.

Dat zie je ook terug in de provocatieve psychologie, zoals ontwikkeld door Frank Farrelly. Hij observeerde scherp hoe cliënten zichzelf vastzetten in hun eigen redeneringen en besloot daar niet empathisch in mee te zakken, maar het juist te overdrijven, te spiegelen, uit te vergroten.

Dat vraagt precisie. Dat vraagt dat je weet wat je doet. Veel coaches helpen te snel. Ze sussen, verklaren, nemen verantwoordelijkheid over. Met de beste intenties, maar ze maken cliënten soms kleiner dan nodig is.

De empirische cyclus helpt mij uitleggen om deelnemers te leren:

  • één mislukte interventie is geen bewijs van hopeloosheid.

  • één weerstandsreactie is geen mislukking.

  • één ongemakkelijk moment is geen identiteitsdiagnose.

Dus dit is niet het bewijs dat je het nooit zult kunnen. Maar bij jou wél 😊 (dat is natuurlijk het provocatieve element)

Dus wat heb je aan een provocatief psycholoog die onderzoek doet?

Je krijgt iemand die niet schrikt van twijfel. Die niet meegaat in snelle, dramatische conclusies en helpt te toetsen in plaats van identiteiten te bevestigen.

En die ondertussen met humor en speelsheid de spanning kan laten zakken.

Onderzoek maakt me niet afstandelijk. Het maakt me scherper. En juist daardoor kan ik vrijer spelen. Want als je weet dat één observatie geen bewijs is voor hopeloosheid, kun je er ook om glimlachen.

En daar, precies daar, begint provocatieve psychologie: Bij het vertrouwen dat mensen meer kunnen hebben dan ze denken.

Innovatief coachen begint waar de hulpreflex stopt. In mijn opleiding leer je hoe je doorpakt op echte verandering, met humor, liefdevolle uitdaging en plezier in je werk.

Meer info:

Volgende
Volgende

“Pessimisme kun je leren”: versjes van Lévi Weemoedt